Hierna volgen een aantal oefeningen. In de opgave wordt bijna nooit vermeld hoe de vormgeving moet gebeuren. Bij elk werkblad heb je daarin de vrije keuze. Ook kan je meestal naar eigen keuze charts maken. Wel leggen wij er de nadruk op dat zowel de vormgeving als het gebruik van charts als bedoeling hebben het werkblad te verduidelijken. Het verdient aanbeveling met charts te experimenteren en regelmatig de werkbladen te bewaren. Je kan uiteraard ook zelf varianten op de oefeningen bedenken of vraagstukken uit andere vakken met een spreadsheet oplossen. Na elke oefening of elk onderdeel staat het nummer van het hoofdstuk waarbij deze oefening hoort. Dit betekent dat de leerstof uit hoofdstukken tot en met het opgegeven hoofdstuk hierin kan worden toegepast. Bij sommige oefeningen komen nieuwe functies of verbanden aan bod, die dan bij de opgaven worden uitgelegd. Onderdelen van sommige oefeningen kunnen met macro's worden geautomatiseerd.
Bij sommige oefeningen is een figuur van de volledige of een deel van een oplossing gevoegd.
Maak een werkblad waarin ontvangsten en uitgaven op je bankrekening worden bijgehouden. Voor elke transactie moet de datum worden vermeld, het bedrag (met teken: positief voor inkomsten, negatief voor uitgaven), het nummer van de andere rekening die betrokken is, en het nieuwe saldo. Voorzie ruimte voor de stand van de rekening waarmee wordt gestart. Breng een formaat aan dat steeds het teken voor de bedragen vermeldt. Maak hierbij gebruik van de mogelijkheid om een afzonderlijk formaat op te geven voor positieve en negatieve getallen. (3)
Aanvullingen:
Een andere formule, die hetzelfde niet steeds correcte resultaat oplevert, maakt gebruik van de functie TEXT(getal,formaat). Deze functie formatteert een getal en kan worden gebruikt om een getal in een tekst in een bepaald formaat te plaatsen. Het formaat hierin moet tussen " " staan. De formule wordt dan =TEXT(getal&MOD(getal,97),"000-0000000-00"). Om een formule te verkrijgen die altijd het juiste resultaat geeft moet je de twee delen eerst formatteren en daarna aan elkaar plakken met de formule =TEXT(getal,"000-0000000")&TEXT(MOD(getal,97),"-00"). Probeer deze zaken uit. (4)
Zoek in de krant de koersen van tien aandelen op gedurende een maand. Houd deze bij in een werkblad. Breng de datums aan met het commando Data, Series... en kies voor enkel weekdagen. (4, 7)
Aanvullingen:
De Bel-20 beursindex van de termijnmarkt wordt bepaald als de gewogen som van de koersen van een aantal representatieve aandelen. Op 18 januari 1999 werd de Bel-20 index bepaald aan de hand van de koersen van de 20 hierna vermelde aandelen met hun gewicht:
| Aandeel | Aantal |
|---|---|
| Almanij | 550 |
| Barco | 68 |
| Bekaert | 10 |
| CBR | 126 |
| Cobepa | 194 |
| Colruyt | 21 |
| Delhaize | 285 |
| Dexia | 202 |
| D'Ieteren | 29 |
| Electrabel | 236 |
| Fortis AG | 3.928 |
| GB-Inno-BM | 151 |
| GBL | 133 |
| KBC | 1.044 |
| Petrofina | 122 |
| Solvay | 461 |
| Tessenderlo | 159 |
| Tractebel | 320 |
| UCB | 801 |
| Union Minière | 129 |
(Sindsdien werden CBR, Cobepa, Petrofina en Tractebel vervangen door Agfa-Gevaert, IBA, Interbrew en Telindus)
Een bedrijf maakt een product waarvoor het twee grondstoffen nodig heeft. Van grondstof A zijn drie eenheden nodig per product en van grondstof B vijf eenheden. Een eenheid A kost 150 BF en een eenheid B kost 95 BF. De verkoopsprijs van het product bedraagt 1300 BF. De hele productie wordt steeds verkocht.
Maak een werkblad met door jou te kiezen verkoophoeveelheden voor vier kwartalen van een jaar. In elk kwartaal is er een vaste kost van 30000 BF. Bepaal in het werkblad hoe groot de totale kost (vaste kost + variabele kost per eenheid * verkochte hoeveelheid; de variabele kost per eenheid is de totale grondstofkost voor één eenheid), omzet en winst zijn. Geef een jaaroverzicht en maak een zinvolle chart. Bereken (buiten de tabel) het Break Even Point op jaarbasis (winst = 0). (4, 5, 11)
Een bedrijf koopt twee producten aan en verkoopt ze opnieuw. Product één kost bij leverancier A 500 BF en bij leverancier B 550 BF. Product twee kost bij leverancier A 800 BF en bij leverancier B 750 BF. Leverancier A kan maximaal 1000 exemplaren van elk product leveren per maand. Leverancier B kan onbeperkt leveren. Er wordt aangekocht zodat de vraag juist kan worden voldaan. Er worden geen voorraden aangelegd. De vraagcijfers van de producten bedragen voor zes maanden:
product één: 1800, 2000, 1500, 900, 1100, 1000
product twee: 1500, 1300, 1200, 1600, 1000, 800
Stel een werkblad op waarin de aangekochte hoeveelheden per product bij leveranciers A en B, de totaal te betalen bedragen aan A en B en het totale te betalen bedrag voor beide producten samen worden weergegeven voor elke maand afzonderlijk en als overzicht voor het ganse jaar. Verdeel de aankopen over de leveranciers zodat de te betalen bedragen zo klein mogelijk zijn. Maak een zinvolle chart. Bereken de verkoopprijs (geheel getal) om voor beide producten een gemiddelde halfjaarlijkse winst van minstens 10 % te maken. (4, 5)
Een firma produceert drie producten A, B en C. Hierbij treden vaste kosten op van 100 000 F, 80 000 F en 70 000 F en variabele grondstofkosten en loonkosten. De loonkosten bedragen per eenheid van elk product 800, 1000 en 1200 F. De grondstofkosten bedragen 250 F per eenheid van grondstof 1 en 300 F per eenheid van grondstof 2. Voor 1 exemplaar van product A zijn drie grondstofeenheden 1 en acht grondstofeenheden 2 nodig. Voor 1 exemplaar van product B zijn zeven grondstofeenheden 1 en vier grondstofeenheden 2 nodig. Voor 1 exemplaar van product C zijn enkel 10 grondstofeenheden 1 nodig. Er moeten 1000 eenheden A, 750 eenheden B en 800 eenheden C worden geproduceerd
Gebruik een werkblad om de gegevens te verwerken en de antwoorden op deze vragen te vinden. (4, 5)
Stel een werkblad op waarin het voetbalklassement uit de eerste afdeling wordt voorgesteld. Hierin komen voor: Nr. in de rangschikking, naam van de ploeg, aantal gespeelde wedstrijden (= aantal gewonnen + verloren + gelijk gespeelde wedstrijden), aantal gewonnen, gelijk gespeelde en verloren wedstrijden, aantal doelpunten vóór en tegen (deze vijf getallen zijn inputgegevens), aantal punten. Het aantal punten wordt berekend door het aantal gewonnen wedstrijden met drie te vermenigvuldigen en daar het aantal gelijk gespeelde wedstrijden bij op te tellen. De rangschikking wordt opgemaakt volgens behaalde punten en vervolgens het aantal gewonnen wedstrijden en het doelsaldo (doelpunten vóór min doelpunten tegen). (4,5)
Varianten:
Iemand leent een bedrag van 2 000 000 BF en zal de helft terugbetalen in 10 jaarlijkse gelijke termijnen aan een werkelijke rentevoet van 10 %. De rest betaalt hij terug in 5 daaropvolgende jaarlijkse gelijke termijnen van 10.5 %. Op deze rest moet uiteraard 10% rente betaald worden gedurende de eerste 10 jaar. Stel het aflossingsplan op en bereken de werkelijke rentevoet. (8)
Varianten:
Iemand spaart door in het begin van elke maand 10 000 BF te storten, waarbij de jaarlijkse rentevoet 7.5 % bedraagt. Na hoeveel maanden zal hij minstens 500 000 BF hebben gespaard? Hoeveel maanden later zal dit bedrag (minstens) zijn verdubbeld? Hoeveel maanden zal hij minder lang moeten sparen om 500 000 BF te hebben wanneer de jaarlijkse rentevoet na één jaar verhoogd wordt tot 9 %? (8)
Een bedrijf koopt een aantal producten aan op afbetaling. Bij de aankoop wordt steeds 15% van de aankoopsom onmiddellijk betaald, terwijl de rest wordt betaald via constante termijnen te betalen na 1, 2, 3... jaar, die berekend worden op het niet onmiddellijk bij de aankoop betaalde deel van het aankoopbedrag. Het aantal termijnen en de jaarlijkse rentevoet kunnen verschillen van product tot product. Hiervan worden (minstens) de volgende zaken geregistreerd: productomschrijving, aankoopbedrag, aankoopdatum, bedrag betaald bij aankoop, rentevoet (percentage), aantal termijnen, bedrag van één termijn, totaal betaald bedrag voor dit product. Tevens wordt voor de gegevens waar dit zinvol is een totaal over alle producten berekend.
Stel deze zaken voor in een werkblad en maak een zinvolle chart (8)
Een firma verkoopt een aantal producten op afbetaling. Wanneer de verkoopprijs minder dan 100 000 BEF bedraagt, wordt bij aankoop 20% betaald en wordt de rest van de som in drie gelijke schijven afbetaald via een annuïteit met constante termijn aan een rentevoet van 8%. Wanneer de verkoopprijs 100 000 BEF of meer bedraagt, wordt bij aankoop 15 % betaald en wordt de rest van de som in 10 gelijke schijven afbetaald via een annuïteit met constante termijn aan een rentevoet van 9 %. Stel een werkblad op waarin zich deze gegevens bevinden voor een aantal producten (bijvoorbeeld 7). Hierin moeten voor elk product de omschrijving, de prijs, het direct betaalde bedrag, het overschot, de rentevoet, het aantal termijnen en het bedrag van een termijn vermeld staan en de som van alle betaalde bedragen. Bereken ook zinvolle totalen. Maak een zinvolle chart. (8)
Een stadsbestuur schrijft een a pari terugbetaalbare obligatielening uit van 120 miljoen frank tegen een werkelijke rentevoet van 7.5%. De dienst van de lening wordt verzekerd door een constante annuïteit met vijf jaarlijkse vervaldagen. De nominale waarde van een obligatie is 10 000 frank. Stel het aflossingsplan op.
Dit aflossingsplan gelijkt zeer sterk op dat voor een annuïteitslening met constante termijn. Ook hier wordt eerst de (theoretische) termijn van de annuïteit berekend. Deze wordt dan opgesplitst in een rente- en aflossingsbestanddeel. Het aflossingsbestanddeel bestaat uit een geheel aantal obligaties ter grootte van de nominale waarde. Dit heeft als gevolg dat de werkelijke termijnen van de annuïteit jaarlijks nagenoeg constant zijn. De financiële functies worden gebruikt om de aantallen obligaties te bepalen. In het aflossingsplan worden kolommen opgenomen voor het jaarnummer, het aantal obligaties in omloop in het begin van het jaar, het aantal terugbetaalbare obligaties aan het slot van het jaar, het totaal aantal obligaties terugbetaald tot en met het slot van het jaar, en de totale (bijna constante) termijn, die wordt opgesplitst in een rente- en aflossingsdeel. (8)
Stel een werkblad op dat de evolutie van voorraden bijhoudt zoals in hoofdstuk 10. Produceer echter niet zelf maar kopen de producten aan. Hierbij is er een variabele inkoopprijs per eenheid en een vaste kost per bestelling. De gemiddelde voorraad in een periode wordt nu gegeven door de som van beginvoorraad, eindvoorraad en de grootte van één bestelling te delen door twee. (11)
Onderzoek de volgende gevallen:
K = cb * Qd / Q + ci * Qd + cs * Q / 2
waarbij cb: vaste kost per bestelling
ci: variabele inkoopprijs per aangekochte eenheid
cs: bewaarkost per eenheid en per periode
Qd: vraag, theoretisch gelijk een de aangekochte hoeveelheid voor de hele periode
Q: bestelgrootte van één bestelling
n = Qd / Q: aantal bestellingen in één periode
Q / 2: gemiddelde voorraad in één periode wanneer er geen begin- of eindvoorraad is.
Afleiden naar Q, de eerste afgeleide gelijk stellen aan 0 en de oplossing kiezen waarbij de tweede afgeleide positief is (minimum) geeft:
EOQ = Qopt = sqrt(2 * cb * Qd / cs)
In de praktijk zullen de niet-gehele resultaten uit deze formule moeten worden afgerond, en treden afwijkingen af, onder meer als gevolg daarvan maar ook als gevolg van de gedeeltelijke onvoorspelbaarheid van de vraag.
Onderzoek de correctheid van deze formule wanneer geen afrondingen gebeuren.
n = round(((Qdv - Qb + dQ ) / Qopt),0)
(afgerond tot een geheel getal) en de bestelgrootte uit de formule
Q = round((Qdv - Qb + dQ) / n, -2 )
(afgerond naar het dichtstbijzijnde veelvoud van 100).
Onderzoek in hoeverre deze formule een optimale winst benadert.
In het aanslagjaar 1995 wordt de basisbelasting als volgt berekend:
| belastbaar inkomen bevat een volledige schijf van: | basisbelasting op deze volledige schijf: | basisbelasting op de onvolledige hogere schijf: |
|---|---|---|
| 0 BF | 0 BF | 25% |
| 253 000 BF | 63 250 BF | 30% |
| 335 000 BF | 87 850 BF | 40% |
| 478 000 BF | 145 050 BF | 45% |
| 1 100 000 BF | 424 950 BF | 50% |
| 1 650 000 BF | 699 950 BF | 52.5% |
| 2 420 000 BF | 1 104 200 BF | 55% |
Stel een werkblad op waarin je voor een aantal belastbare inkomens de totale basisbelasting en het gemiddelde (basis)belastingspercentage uitrekent. Maak een chart, die de curve van de basisbelasting (gebroken lijn) aangeeft. Gebruik hierbij de VLOOKUP functie. Het resultaat correspondeert met de hierin voorkomende waarde die minstens gelijk is aan de lookup_value. (4)